Blog Image

Middeleeuwse dorpen en bastides Midi-Pyrénées

LA BOUYGUE

Onder het motto "logeren bij Vlamingen" baten Roger & Nadine aan de rand van het Grésigne bos in Penne (Tarn) twee vakantiewoningen uit:
Gîte La Bouygue, een kindvriendelijk vakantiehuis met verwarmd zwembad
Gîte les Sangliers, een hondvriendelijk vakantiehuisje met grote omheinde tuin

VAREN, een middeleeuws dorpje aan de oevers van de Aveyron

Middeleeuwse dorpen Posted on 2013-03-16 10:03

Graaf Géraud d’Aurillac,
stichter van de Benedictijnenabdij van Aurillac, besloot in de 9e
eeuw aan de boorden van de Aveyron een klooster en een kerkje te bouwen. De vruchtbare
landbouwgrond werd hem geschonken door gravin Garsinde de Toulouse.

Rond het klooster, met
een tiental monniken, ontstond een klein dorpje: Santa Maria Varignensé. Tussen
1050 en 1100 werd de Saint Pierre kerk gebouwd, een voor die tijd monumentaal
gebouw. Waarom zo’n grote abdijkerk?

De relieken van Saint
Serge werden in het kloosterkerkje van Varen bewaard en de plaats moest
uitgroeien tot een bloeiend bedevaartsoord. Het Saint Serge kerkje zou hiervoor
veel te klein zijn. Het succes was echter gering. Dankzij de ambitie van
de monniken hield Varen er wel een van de eerste grote romaanse bouwwerken aan
over. Het sobere bouwwerk staat al sinds 1846 geklasseerd als historisch monument.

De Saint-Pierre kerk
werd gebouwd volgens het plan van een basiliek, maar zonder dwarsschip. Kruisbeuken gaven een kerk de symbolische vorm van een kruis, maar waren
eigenlijk een architectonische noodzaak om de zijdelinkse druk van de gewelven
op te vangen. Geschraagd door het Saint Serge kerkje aan de noordzijde en door
het klooster aan de zuidzijde, had de kerk van Varen geen kruisbeuken nodig. Toen
het klooster op het einde van de 16e eeuw afbrandde en niet werd
herbouwd, viel die steun weg. De bouw van twee enorme steunbogen moest het ontstane
constructieprobleem verhelpen.

Zowel aan de binnen
als de buitenkant van de kerk is duidelijk zichtbaar dat het bouwwerk een
bewogen geschiedenis achter de rug heeft. De meest ingrijpende verandering was wellicht
de afbraak van de apsis (koor).

Traditioneel bevindt
de ingang van een kerk zich aan de westzijde, onder de kerktoren. Het koor met
het altaar staat bijgevolg aan de oostzijde waardoor in de klassieke liturgie de
priester en de gelovigen richting Jerusalem kijken. Waarom heeft Varen een
kerk zonder apsis en staat het altaar aan de westkant?

Alles laat vermoeden
dat er zich aan de oostzijde een apsis bevond. Rond 1350, tijdens de
honderdjarige oorlog, werd het dorp versterkt. De halfronde apsis was een zwak
punt en diende afgebroken. In de plaats kwam een rechte muur en werd de kerk geïntegreerd
in de versterkingsmuren van het dorp. De oorspronkelijke ingang werd
dichtgemaakt en het altaar verhuisde naar de westzijde. En zo is het vandaag
nog steeds. De huidige inkom werd pas in de 19e eeuw gemaakt.

Het kasteel van Varen
dateert uit de 15e eeuw. Het was de residentie van de deken, het equivalent
van een feodale leenheer, maar dan in opdracht van de abdij van Aurillac. Door
de verbondenheid met de abdij bleef Varen tijdens de godsdienstoorlogen de
katholieke kerk en de koning trouw.

In 1573 werd het dorp
door de Hugenoten uit Saint-Antonin met geweld bezet. In 1581 namen de
Hugenoten uit het buurdorp Verfeil wraak voor de wreedheden van de Koninklijke
troepen en plunderden Varen. Het klooster werd platgebrand en deken Charles
de Cardaillac terechtgesteld.

We herinneren uit onze
geschiedenislessen voornamelijk de pracht en de praal van de Zonnekoning
Lodewijk XIV. Maar het waren voor de bevolking harde tijden. Bijna twee miljoen
mensen of 10% van de Franse bevolking stierf tijdens de hongersnood van 1693 en
1709. De exodus van de verdreven Hugenoten, waardoor het land zijn bekwame
ambachtslui en handelaars verloor, veroorzaakte bovendien een economische
catastrofe. Ook in Varen heerste armoede en de gebouwen werden niet meer
onderhouden. Het Saint Serge kerkje overleefde de verwaarlozing niet en in 1761 stortte het in. Het werd nooit heropgebouwd.

De spoorlijn Toulouse –
Capdenac – Parijs komt in Varen voorbij. Het gehucht Lexos vormde het knooppunt
met de nieuwe spoorverbinding Rodez – Montauban – Agen. Iedereen die vanuit zuidwest Frankrijk met de trein naar Parijs wou reizen, kwam in Lexos voorbij. In 1858 werd het monumentale stationsgebouw geopend. Wie vandaag de D958 van Saint-Antonin-Noble-Val naar Laguépie volgt,
wordt plots, in the middle of nowhere, geconfronteerd met dit surrealistisch
aandoende station.

Midden dit agrarische
gebied was er ooit één industriële activiteit. De kalksteengroeve en bijhorende
verwerkingsovens voor de fabricatie van kalkcement of “chaux”. De groeve in
Lexos werd vanaf het begin van de twintigste eeuw geëxploiteerd en in 1977 door de “Ciments Lafarge France” overgenomen. Lexos kreeg de modernste verwerkingsoven
van Europa en stelde 130 man tewerk. De toekomst leek verzekerd. Tot de directie
van de Lafarge groep in 1994 abrupt besloot de fabriek voorgoed te sluiten.

Nu is Varen een charmant landelijk dorpje, gekneld tussen de D958 en de Aveyron. De drukke toerist rijdt
het zo voorbij en die mist heel wat. Maak even een wandeling langs de oevers
van de Aveyron tot aan de oude watermolen, nu een restaurant. Richting oude
dorpskern kom je voorbij de “Fontaine Romane”, een prachtige lavoir. Langs een oude toegangspoort bereik je het kasteel, nu het gemeentehuis en de Saint Pierre kerk. Het is
opmerkelijk hoe een klein middeleeuws dorpje ons zoveel te vertellen heeft.

Varen ligt op twintig
kilometer van La Bouygue. Vanuit Milhars, richting Laguépie, kom je na een
drietal kilometer voorbij het station van Lexos en nog eens twee kilometer
verder bereik je Varen. Een bezoekje aan Milhars en Varen, eventueel gecombineerd
met een lokale wandeling of een picknick aan de oevers van de Aveyron, is een mooie voor- of namiddaguitstap.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



MILHARS, het bloemendorp

Middeleeuwse dorpen Posted on 2013-03-14 11:07

Waar de Cérou en de
Aveyron samenvloeien kruiste een belangrijke gallo-romeinse heirweg de rivier. De
nederzetting die in de buurt ontstond werd “Miliacum” genoemd en verwijst
vermoedelijk naar een mijlpaal langs de heirweg. In de loop der tijden werd dit
Milhars (spreek uit: mie-jaar).

Op de heuveltop langs
de Cérou, aan de voet van de burcht, groeide Milhars in de middeleeuwen uit
tot een versterkt dorp. Een verdedigingspost met uitzicht op de vallei van de
Cérou, de natuurlijke verbinding tussen de regio’s Quercy en l’Albigeois. Het
was, net zoals Bruniquel, Penne en Najac een deel van de verdedigingslinie
langs de vallei van de Aveyron.

Milhars behoorde toe
aan de Graven van Toulouse en vanaf 1258, zoals gans de regio, aan de Koning
van Frankrijk. Strategisch gelegen op de grens van twee historische regio’s
kende het dorp woelige tijden. Na de vele gevechten, plunderingen en verwoestingen
werd het steeds opnieuw heropgebouwd. Het kasteel, zoals we het nu kennen, werd
een laatste keer herbouwd in 1630.

De adellijke familie
Cazillac was vanaf 1450 tot 1683 eigenaar van het kasteel en de omgeving. Tot
aan de Franse revolutie werd het kasteel en het bijhorende dorp beheerd door de
adellijke families Lamoignon en Rey de Saint Gery. De laatste Markies van
Milhars, Clement Jean-Augustin de Saint Gery, werd in 1794 in Parijs onthoofd.

Het kasteel werd na de
Franse revolutie gebruikt als gemeentehuis en school. De noodzakelijke herstellingswerken
waren voor de gemeente te hoog en in 1881 werd het kasteel voor 4060 frank openbaar
verkocht aan Maître Candelon, een advocaat uit Toulouse. Met de opbrengst werd
het huidige gemeentehuis en school gebouwd.

Maître Candelon had de
bedoeling de prachtige marmeren trap te ontmantelen en naar Amerika te
verschepen. Dit project ging gelukkig niet door. Wel werd de vervallen
middeleeuwse burchttoren met de grond gelijk gemaakt en de stenen verkocht.

Acht jaar later werd
het kasteel doorverkocht aan Jean-Pierre Roumiguieres, een bemiddelde handelaar
uit Albi. De auteurs Claire en Charles Geniaux verwierven in 1920 het
kasteel en de ganse inboedel. Zij vonden er inspiratie voor vele boeken en
ontvingen er hoge gasten.

Nadat het kasteel
tijdens de oorlog een toevluchtsoord was voor vluchtelingen, werd het in 1947 gekocht
door Albert Lemaitre. Deze Belgische expressionistische schilder, verbonden aan
de Academie voor Schone Kunsten van Luik, had er zijn tweede residentie tot aan
zijn dood in 1975. Hij werd in het kasteelpark begraven. Het schilderij Milhars uit 1950 bovenaan dit artikel is van zijn hand.

Zijn leerlinge en muze,
Madame Charles Lamborelle, erfde het kasteel en sinds 2004 is haar zoon Alain
de eigenaar. Al vormt het kasteel de kern van het middeleeuwse dorpje Milhars,
het valt niet te bezoeken.

Vandaag ligt Milhars
op de D600 die Cordes-sur-Ciel met Saint-Antonin-Noble-Val verbindt. Als men het
bord “vieux village” toevallig niet ziet staan, dan rijdt men het zo voorbij.
En dat zou spijtig zijn.

Al telt Milhars maar
ongeveer 250 inwoners, de middeleeuwse dorpskern aan de voet van het kasteel
ligt er dankzij de inzet van vrijwilligers prachtig bij. Tussen de oude
vestingen en traditionele huizen werden kleine thematische tuinen aangelegd.
Milhars kreeg terecht diverse onderscheidingen als charmant bloemendorp. Na een
rustige wandeling tussen dit met bloemen opgefleurde historische erfgoed, kan
je nog even afdalen tot aan de lavoir langs de Cérou.

In de buurt van Milhars bevindt zich het kerkje Saint Projet de Larroque. Al vaker heb ik in
deze blog vermeld dat Fransen fier zijn op hun historisch patrimonium en er veel voor over hebben.
Ook dit kerkje uit de 9e eeuw werd dankzij het initiatief van
vrijwilligers van de ondergang gered.

In 1940 waren Franse soldaten
in de buurt gelegerd. Getroffen door de desolate aanblik van dit landelijk gebied schreef een van de soldaten een ontroerend gedichtje. Aalmoezenier abbé Bourguigon bevestigde het papiertje aan de kerkdeur, waar het door passanten werd gevonden en bewaard.

Eglise abandonnée! O Campagnes désertes

Maisons sans habitant, toutes portes ouvertes

C’est la France qui meurt, sans idéal, sans foi

C’est un peuple abaissé, c’est un peuple sans loi

Que de mauvais bergers ont jeté dans l’abime

Receuille toi passant et dans ton cœur intime

Adresse au Tout Puissant un appel angoissé

Pour un bel avenir, meilleur que le passé.

Dit ontroerend
eenvoudig gedichtje verwoordt perfect hoe de ganse streek er midden de
twintigste eeuw eigenlijk bijlag. De toekomst was gelukkig beter dan het
verleden.

De wandelroute “Gresinhola” komt aan het kerkje van Saint Projet de Larroque voorbij (wandeling Milhars –
Le Riols – Milhars: 12 km).

Milhars ligt halfweg
tussen Cordes-sur-Ciel en Saint-Antonin-Noble-Val, op ongeveer 15 km van La Bouygue.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



SAINT-CIRQ LAPOPIE, parel van de Lot

Middeleeuwse dorpen Posted on 2013-03-05 20:47

De parel van de Lot,
Saint-Cirq-Lapopie, werd in 2012 door de kijkers van tv-zender France 2 uitgeroepen tot
Frankrijks meest favoriete dorp. Al wordt het dorpje, met iets meer dan
tweehonderd inwoners, tijdens de zomermaanden overspoeld door honderdduizenden
toeristen, het authentieke middeleeuwse karakter bleef gelukkig intact. Een
schotelantenne zal je er niet ontwaren.

De honderd meter hoge klif op de linkeroever van de Lot was vermoedelijk al bewoond in de Gallo-Romeinse tijd.
In de middeleeuwen behoorden de gronden eerst aan de adellijke familie
Cardaillac, vazallen van de Graaf van Toulouse. Nadien werd het beheer over de
regio gedeeld door vier feodale adellijke families: Cardaillac, La Popie, Castelnau
en Gourdon. Ze bouwden er op de hoogste klif langs de Lot een fort bestaande
uit drie kastelen en versterkte herenhuizen. De Heren van Saint Cirq kozen
tijdens de Albigenzische Kruistochten, de honderdjarige oorlog, de
godsdienstoorlogen en andere gewapende conflicten wel niet steeds hetzelfde
kamp. Alle kastelen werden uiteindelijk op bevel van de Franse koning gesloopt.

De vetes tussen de
feodale heren beletten de inwoners van Saint-Cirq niet om welvarend te worden.
Het waren bekwame ambachtslui: veermannen, leerlooiers, ketellappers,
houtdraaiers. De houtdraaiers waren vooral “roubinetaïres”, gespecialiseerd in
kraantjes uit buxushout voor wijnvaten.

Het ganse dorp
Saint-Cirq-Lapopie is vandaag een cultuurhistorisch monument. Het maakt deel
uit van de “Grands Sites de Midi-Pyrénées” en kreeg het label van “Les plus
beaux villages de France
”. Het is een schoolvoorbeeld van plattelandsarchitectuur, uitsluitend gebouwd met lokale materialen: scherpe daken met bruine kleipannen
of platte leisteen, muren in amberkleurige kalksteen of vakwerk met eik uit de
Causses. Het geheel is een prachtige eenheid van materiaal, kleur en architectuur uit de 13e tot 16e eeuw, dat als een waterval
tot aan de Lot loopt.

Het dorp bevat niet
minder dan 13 geklasseerde historische monumenten. De Saint Cirq kerk, een
belangrijke halteplaats op weg naar Santiago de Compostela, is al sinds 1911
geklasseerd. Deze imposante versterkte kerk werd in de 1523 gebouwd rond de
romaanse kapel gewijd aan de heiligen Julitte en Cyricus.

De jonge weduwe
Julitte werd, samen met haar zoontje Cyricus, rond 230 na Christus in Tarsus
(in het zuiden van het huidige Turkije) vervolgd als Christen. Terwijl zijn
moeder werd gemarteld zou de kleine Cyricus geroepen hebben dat hij ook
Christen was. Hierop smeet de woedende rechter het kind van de trappen waar het
doodbloedde. Deze legende kent vele versies maar hadden wel tot resultaat dat zowel
de martelares Julitte als haar zoontje heilig werden verklaard. Cyricus,
vermoedelijk niet meer dan 3 jaar oud, is de jongste heilige ooit. Amadour,
bisschop van Auxerre, zou de relieken naar Frankrijk hebben gebracht. In
Frankrijk verwijzen niet minder dan 42 plaatsnamen naar Saint Cyr. In het
Occitaans was dit “Sent Circ”. Om verwarring te vermijden werd de naam van een
van de heersende feodale dynastieën toegevoegd: “Sent Circ de la Popia”.

Zoals zoveel
middeleeuwse dorpjes op het platteland van zuidwest Frankrijk werd
Saint-Cirq-Lapopie een spookdorp in verval. In 1922 kocht en restaureerde Emile
Joseph Rignault, gepassioneerd door oude stenen en kunst, er een huis. Hij
nodigde bevriende kunstenaars uit waarvan enkele ook ter plaatse bleven. In
1950 vestigde de surrealistische dichter André Breton zich in “l’ancienne auberge
des Mariniers”. Sinds hij er de beroemde zin “j’ai cessé de me désirer ailleurs” neerschreef, werd
Saint-Cirq-Lapopie een magneet voor gelijkgestemde kunstenaars en
ambachtslieden. En toen volgden de toeristen…

Voor meer foto’s van Saint-Cirq-Lapopie: zie mijn fotoblog op picasaweb

Voor meer informatie over Saint-Cirq-Lapopie: Saint-Cirqlapopie

https://youtube.com/watch?v=l6tPe9bGOF8

La Bouygue ligt op
ongeveer zestig kilometer van Saint-Cirq-Lapopie. Indien je een hekel hebt aan
massatoerisme, dan is een bezoek tijdens de vakantiemaanden niet echt een optie. In
het voor en najaar valt de drukte best mee. Het dorp is volledig verkeersvrij;
parkeren kan uitsluitend betalend op de parkings aan de ingang van het dorp.

Persoonlijk parkeer ik
de auto een drietal kilometer stroomafwaarts in Bouziès. Waar ooit mensen en
paarden de platbodems trokken die zout en gedroogde vis stroomopwaarts voerden,
volg je vanuit Bouziès het jaagpad langs de Lot (GR 36). De rotswand gaat er bij
de sluis van Ganil zo abrupt over in de rivier dat het jaagpad gedeeltelijk in
de rotsen is uitgekapt. Daniel Monnier (Toulouse) beeldhouwde in 1985 een mooi
bas-relief in de rotsen.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



MONTRICOUX het dorp van de tempeliers eert schilder Marcel Lenoir

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-06-12 17:45

In de
historische regio Bas-Quercy, aan de laatste uitlopers van het Centraal Massief,
ligt het dorpje Montricoux. Op de rechteroever van de Aveyron vormt het de
ingangspoort tot “les Gorges de l’Aveyron”. Vanaf hier stroomt de Aveyron
alleen nog door de laagvlakte.

De Franken
noemden het dorp Mormacus, “scherpe berg”. In het Occitaans werd dit
Mont-Ricolf, Mont-Ricos en uiteindelijk Montricoux.

Het historische belang van Montricoux ligt vooral bij de Orde van de
Tempeliers
die er in de 13e eeuw een Commanderie stichtten. Ze
bouwden er een versterkte burcht met uitkijktoren, kapel en kasteel. Op bevel
van Filips de Schone namen de Hospitaalridders in 1312 alle bezittingen van de
Orde van de Tempeliers over.

De Commanderie
werd tijdens de godsdienstoorlogen in 1558 aangevallen door de Hugenoten van
Montauban, geplunderd en platgebrand. Alleen de burchttoren bleef gespaard. Tijdens
de Franse revolutie werd dit machtssymbool in 1789 ernstig beschadigd. De huidige dakconstructie valt enigszins uit de toon, maar biedt op zijn minst bescherming aan dit prachtig voorbeeld van militaire architectuur.

Op de
plaats waar nu de Saint-Pierre kerk staat, stond in de 8e eeuw al
een kerkje. Het huidig romaanse kerkportaal dateert uit de tijd van de
Tempeliers. De zeven zijkapellen werden in de 15e eeuw bijgebouwd. De
Saint-Pierre kerk kreeg in 1549 een klokkentoren. Zoals veel kerktorens in de
streek werd het een verkleinde kopie van de bakstenen klokkentoren van de
Saint-Serninbasiliek in Toulouse.

Het door de
Hugenoten geplunderde en vernielde kasteel werd in 1730 door Pierre-Hyppolite
de Maurez de Malartic volledig heropgebouwd. De vroegere burchttoren werd in
het kasteel geïntegreerd. De ovale inkomhall met vier imposante beelden van de
kunstenaar Jean-Marie-Joseph Ingres is prachtig. Het kasteel is sinds 30 jaar
privébezit van de familie Namy. Claude Namy richtte er een museum in met zijn
indrukwekkende collectie werken van de kunstschilder Marcel Lenoir. Behalve op
dinsdag is het private museum iedere dag doorlopend open van 10:00 tot 18:00
uur. Nu loopt er een thematentoonstelling rond portretten van Marcel Lenoir.

Jules Oury werd in 1872 in Montauban geboren.
Hij trok naar Parijs en zocht er zijn weg als beeldend kunstenaar. Onder zijn
artiestennaam Marcel Lenoir, stelde hij zijn werk “l’épreuve” in de salons van
de Champs-Elysées tentoon en kreeg snel bekendheid. In de salle Léon XIII van het ICT in Toulouse
is een geklasseerd historisch kunstwerk van zijn hand te wonderen: een 63m2
groot fresco “le triomphe de la Vierge couronnée par Dieu le Père”. Marcel Lenoir was een gepassioneerd,
tegendraads en koppig artiest. Hij woonde afwisselend in Parijs en Montricoux.
Hij stierf er in 1931.

Vandaag is
Montricoux een vrij dynamisch dorp. De wekelijkse vrijdagmarkt en de
traditionele jaarmarkt van Saint-Eutrope (laatste zondag van april) dateren al
uit de 13e eeuw.

Drie
wachttorens en een gedeelte van de oude vestingmuren zijn nog intact. Samen met
het kasteel, de kerk en enkele mooie huizen vormen ze een mooi beeld van het
historische patrimonium van Montricoux.

De brug
over de Aveyron biedt een mooi uitzicht over de rivier en de watermolen van
Montricoux die sinds 1181 in gebruik is.

Als je via
Caussade of Montauban naar La Bouygue rijdt, kom je in Montricoux voorbij.
Het loont zeker de moeite er even halt te houden.

Voor meer
informatie over Marcel Lenoir: http://www.marcel-lenoir.com

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



PUYCELSI een van de mooiste dorpen van Frankrijk

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-06-03 20:42

De
nederzetting op een 150 meter hoge kalkrots tussen de vallei van de Vère en het
Grésigne bos noemden de Kelten “Celto Dun” (vesting in het bos). De Romeinen
doopten het om to “Podium Celsium” (hooggelegen platform). Door de eeuwen heen
werd dit Puicelcy la Montagne en uiteindelijk Puycelsi (al is de officiële
schrijfwijze Puycelci).

De
bezittingen van machtige Benedictijnenabdij Saint-Géraud d’Aurillac strekten
zich uit van de Auvergne tot Rouergue. Ook het “Castrum de Puchelse” werd
eigendom van de abdij. De strategische ligging van het dorp was de graaf van Toulouse Raymond V niet ontgaan. In 1180 kocht hij het landgoed van abt
Pierre d’Aurillac. Het werd een versterkte vesting met kasteel.

Trouw aan
de graaf van Toulouse werd Puycelsi een Kathaarse burcht. Tijdens de
Albigenzische kruistochten boden de inwoners echter geen weerstand aan de
kruisvaarders. Nauwelijks waren de troepen vertrokken of ze sloten zich weer
aan bij het kamp van de Katharen.

In 1229, na zijn nederlaag tegen Simon de Montfort, ondertekende de graaf van Toulouse Raymond VI het “Traité de Meaux”. Hierin werd ondermeer bepaald dat 30 Kathaarse verzetshaarden dienden gesloopt. Puycelsi stond op de lijst en het kasteel en het dorp werden ontmanteld.

Het dorp
werd heropgebouwd en omringd met een 850 meter lange vestingmuur. Uitzonderlijk voor een vroeger Kathaars bastion bleef de bevolking van Puycelsi trouw aan de koning en de Roomse kerk. Tijdens de godsdienstoorlogen werd Puycelsi, zonder succes, door de Hugenoten aangevallen.

Tussen 1586
en 1652 werd Puycelsi door 4 pestepidemieën getroffen. Om de ziekte te bezweren,
werd de Saint-Roch kapel gebouwd. De geïsoleerde ligging van het dorp, uitsluitend
via muilezelwegels te bereiken, heeft de inwoners vermoedelijk voor groter
onheil behoed dan Sint Rochus.

Puycelsi en
de bijna 4000 hectaren Grésigne bos vormden steeds één geheel. In 1666 werd het
bos aangekocht door de koning van Frankrijk. Het bos werd volledig ommuurd. Grote
delen van de “muur Louis XIV” zijn nog zichtbaar. De koninklijk bosbeheerders
bouwden mooie gotische huizen in Puycelsi. De inwoners leefden van de opbrengst
van het hout: ze maakten houtskool, spinspoelen en tonnen. De glasblazers rond
Grésigne hadden grote faam. De vrouwen borduurden en verkochten hun werk op de
markten van Gaillac en Caussade.

Het hout
van Grésigne bezorgde Puycelsi een zekere welstand. Maar de start van de
mijnontginning in Carmaux rond 1850 betekende het einde voor de houtskool- en glasnijverheid. De algemene ontvolking van het platteland trof ook Puycelsi. Toen
tijdens de eerste wereldoorlog ook nog 55 jongens sneuvelden, liep het dorp stilaan
leeg.

Gelukkig
werd het omwalde Puycelsi vanaf de jaren zestig door vakantiegangers ontdekt.
Ze restaureerden de historische huizen en het dorp werd stilaan herboren.
Dankzij de nieuwe bewoners behoort Puycelsi vandaag tot “les plus beaux Villages de France”. Het gemeentebestuur waakt er
angstvallig over dat de toeristische industrie het authentieke middeleeuwse karakter
niet verstoort. De dorpskern telt vandaag bijna honderd permanente inwoners;
een derde zijn buitenlanders.

Het is leuk
slenteren door de smalle straatjes met de patriciërshuizen en de half
afgesloten tuintjes. De stadsmuren en de dubbele poort van l’Irissou herinneren
aan het militaire verleden van het dorp.

De romaanse
Sint Corneliuskerk, in de 15e eeuw gebouwd op de fundamenten van een
vroegere kerk, herbergt een beschermd retabel uit de 1689. Het plafond werd
beschilderd door dezelfde kunstenaars die de kathedraal van Albi versierden.

Puycelsi
biedt een mooi panorama op het Grésigne bos en de vallei van de Vère. De
“Sentier du Patrimoine” leidt rechtstreeks naar Grésigne. Een echt
wandelparadijs met een unieke fauna en flora.

Aan de voet
van Puycelsi bevindt zich de “Verger Conservatoire”. Een boomgaard die met meer dan 700, meestal vergeten, lokale variëteiten appels, peren
en wijnranken de biodiversiteit
in stand houdt. Uitsluitend te bezoeken op afspraak.

Voor meer foto’s van Puycelsi: zie onze fotoblog op picasaweb

La Bouygue ligt op iets minder dan 15 kilometer van Puycelsi; een ideale voor- of
namiddaguitstap.

De dappere
wandelaar stapt dwars door het Grésigne bos en geniet iets meer dan
drie uur later van een welverdiende pastis op een terrasje in Puycelsi.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



RABASTENS de Cathédrale Saint-Etienne opgenomen in het Unesco werelderfgoed

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-04-28 17:54


Midden de 8e eeuw, ten tijde van Pepijn de Korte, ontstond een nederzetting aan de voorde (doorwaadbare plaats) waar de Romeinse heirweg van Toulouse naar Lyon de Tarn kruiste. De naam Rabastens kwam voor het eerst voor in een handvest uit 1109.

In de 12e
eeuw stichtten de Benedictijnenmonniken van Moissac er een belangrijke priorij.
Via de Tarn konden ze van daaruit zonder tolheffingen wijn tot in Bordeaux vervoeren.

De heren
van Rabastens waren trouw aan de graaf van Toulouse en zoals veel dorpen in de
regio was Rabastens een verzetshaard van de Katharen. Tijdens de Albigenzische
kruistochten
bood de stad echter nooit enige weerstand aan de kruisvaarders; nauwelijks
waren de kruisvaarders vertrokken of ze sloten zich weer aan bij het kamp van
de Katharen.

In 1229, na zijn nederlaag tegen Simon de Montfort, ondertekende de
graaf van Toulouse Raymond VI het “Traité de Meaux”. Hierin werd
ondermeer bepaald dat 30 Kathaarse verzetshaarden dienden gesloopt. Alle versterkingen rond Rabastens werden afgebroken.

Toen de
rust na de Albigenzische kruistochten terugkeerde, kende Rabastens dankzij de
wijnbouw een periode van bloei. De kwaliteit van de Rabastens wijn was zeer
gegeerd en haalde tot driemaal de prijs van de andere Gaillac wijn. De houten
tonnen werden met platte boten (gabares) tot in Bordeaux verscheept en van
daaruit naar Noord-Europa.

Op de
plaats waar de priorij stond, werd tussen 1235 en 1270 de Notre-Dame-du-Bourg
kerk gebouwd. Alleen het romaanse portaal herinnert nog aan de kapel van de priorij.
Naar het model van de Cathédrale Saint Etienne in Toulouse is de kerk volledig
opgetrokken in baksteen.

Als
onderdeel van de monumenten op de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela, maakt dit
historische monument deel uit van het Unesco werelderfgoed.

In de rand
van de honderdjarige oorlog tussen de Franse en Engelse monarchieën probeerde
de graaf van Foix en Béarn, Gaston Febus, zijn rijk uit te breiden. Bovenop de ravage
aangericht door de pest, werden in 1381 binnen de muren van Rabastens nog eens
honderden burgers afgeslacht door de troepen van Gaston Febus.

De haven
van Rabastens werd een belangrijke schakel in de pastelhandel. De gefortuneerde
pastelhandelaars en notabelen lieten er mooie herenhuizen bouwen.

Door de
internationale contacten kende het protestantisme vanaf 1530 ook hier een
snelle opmars. Lokale vooraanstaande families zoals De L’Herm namen zelfs de
leiding van de Hugenoten.

Tijdens de
godsdienstoorlogen die hierop in gans de streek volgden, werd Rabastens eerst
door de Hugenoten bezet. Maar de katholieken sloegen terug, François De L’Herm
werd opgeknoopt en de bezittingen van zijn aanhangers verbeurd verklaard. De
stad werd vervolgens afwisselend door de protestanten en de katholieken bezet en
de vreedzame co-existentie mislukte. In 1572 werden alle Hugenoten afgeslacht
en van dan af gaf de katholieke kerk Rabastens niet meer uit handen.

De
verzwakte stad verloor uiteindelijk nog één op twee van de overgebleven
inwoners aan de builenpest. Buiten de pestlijders verjagen en zich isoleren binnen de
muren bestond nu eenmaal geen enkele remedie tegen de “zwarte dood”.

In het
begin van de 19e eeuw kreeg Rabastens zijn huidig uitzicht. De
“promenade des Lices” kwam in de plaats van de versterkingsgrachten, de Tarn werd
overbrugd en de Notre-Dame-du-Bourg kerk afgewerkt met een tweede toren.

Halfweg
tussen Albi en Toulouse, is Rabastens vandaag een rustig landelijk stadje waar
de wijnbouw nog steeds een vooraanstaande rol speelt. De departementale weg
D988 loopt dwars door het centrum; hierdoor voelt dit middeleeuwse stadje wat
atypisch aan; toch is het zeker de moeite even halt te houden.

U parkeert
de wagen onder de platanen van de “promenade des Lices” en beeldt u in dat hier
de versterkingsgrachten waren. Enkele historische bakstenen gebouwen, waaronder
het stadhuis, springen onmiddellijk in het oog. Wandel in de richting van
Gaillac naar de Eglise des Pénitent Blancs en iets verderop vindt u een mooi
gerestaureerde wasplaats. Achter de kerk naar rechts wandelen, richting van de
Notre-Dame-du-Bourg. Aan de kerk rechtdoor de aanduidingen van “les remparts”
volgen.

In de
toeristische dienst kunt u de stadswandelroute en een folder over de
Notre-Dame-du-Bourg kerk verkrijgen.

http://www.pays-rabastinois.com/

In 1953
werd een “cave coopérative” opgericht waarbij 150 wijnboeren, met in totaal
1200ha wijnvelden, zich verenigden. In hun degustatiecentrum (33 Route d’Albi) mis je uiteraard de charme van het rechtstreekse
contact met de wijnboer, maar de ontvangst is professioneel en de
prijs/kwaliteit verhouding uitstekend.

http://www.cavederabastens.com/index-rabastens.html

Rabastens
ligt op ongeveer 40 km van La Bouygue. Een bezoek valt het best te
combineren met een stuk van de wijnroute langs de vele wijnkastelen en
duiventorens.

Op weg naar Toulouse, in plaats
van de snelweg te nemen, kun je vanaf Gaillac de D988 volgen;
zo kom je automatisch in Rabastens voorbij.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



VAOUR, een rijke geschiedenis rond de ORDE van de TEMPELIERS

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-04-18 11:31

De dolmen
van Peyrelevade (Peira Levada in het Occitaans), de grootste in de regio,
wijzen op menselijke aanwezigheid in de buurt van Vaour sinds de bronstijd.

Op een
afgelegen heuvel werden ook sporen gevonden van een Keltische offerplaats. Deze mythische
heuvel werd door de heren van Penne aan de Orde van de Tempeliers geschonken.

Om hun
bezittingen in de streek van Albi te beheren en uit te breiden, bouwden ze er
rond 1140 een “Commanderie”. Een versterkte herenboerderij met een toren, kapel,
schuren en stallen voor de paarden… De verspreide plattelandsbevolking werd
aangelokt om voor de Commanderie te werken en in de buurt te wonen. Zo
ontstond het dorp Vaour.

In de
Commanderie van Vaour waren nooit meer dan een tiental tempelridders gehuisvest,
maar ze werden wel de grootste landeigenaars van de streek met vele boerderijen,
kapellen en kerken. Montricoux en Cahors waren de belangrijkste
onderafdelingen.

De
buren in Penne en Cordes waren bastions van de Katharen. Het is zeer merkwaardig
dat tijdens de Albigenzische kruistochten tegen deze Kathaarse ketters de strijdlustige
Tempeliers in dit conflict volledig neutraal en afzijdig bleven.

Ook de
Commanderie van Vaour werd in 1312 door de Hospitaalridders overgenomen. In
1789, tijdens de Franse Revolutie, werd de site als nationaal bezit eigendom
van de gemeente en de stenen werden gebruikt voor andere gebouwen in Vaour.

Nu blijven
alleen enkele ruines en de heropgebouwde schuur over. In het dorp is de imposante
“Relais des Templiers” nu een B&B.

De meeste
dorpen in de regio waren bastions van de Hugenoten. Vaour bleef de Rooms
katholieke kerk trouw en werd tijdens de godsdienstoorlogen in 1574 door de
protestantse legers volledig geplunderd.

Buiten de
verbondenheid met de Tempeliers, kende Vaour nooit echt bloeiende tijden. Vandaag is het een stil dorpje met minder dan 300 inwoners waar de geest van mei 68 nooit veraf is. In de grond de enige dorpskern in de streek waar men niet spontaan geneigd is even op verkenning te gaan.

Ieder jaar,
begin augustus, komt het dorp echter tot leven. Sinds meer dan twintig jaar
wordt “l’été de Vaour” ingericht. Een festival
van de lach met veel muziek en alternatief (straat)theater. De schuur van de
Commanderie wordt dan een theaterzaal met 200 zitplaatsen.

Vanaf La Bouygue ziet men Vaour in de verte liggen. Dichtbij is het niet echt
idyllische te noemen, maar van ver oogt het mooi.

Een wandeling
van La Bouygue naar Vaour en terug is wel een aanrader. Het landschap langs de
GR de Pays en de alternatieve routes (gastheer Roger wijst u wel de weg) is
verrassend afwisselend.

Nog even
doorstappen tot aan de Peyrelevade dolmen loont zeker de moeite. Men wandelt
door een “Gascon” varkenskwekerij. De zwarte Gascon varkens leven jaar
in jaar uit buiten op grote percelen weide en kreupelhout.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



BRUNIQUEL een van de mooiste dorpen van Frankrijk, aan de voet van twee kastelen

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-04-14 19:09

Op een rotspunt
in de Gorges de l’Aveyron, waar La Vère in de Aveyron vloeit, ligt het oude
terrasdorp Bruniquel. Dit versterkte middeleeuwse dorp is goed bewaard. De twee kastelen en
de smalle straatjes omzoomd met huizen uit de 13e tot 15e
eeuw getuigen van het rijke verleden van deze halteplaats op
weg naar Santiago de Compostela.

In de vele
grotten in de buurt vonden archeologen het bewijs van menselijke aanwezigheid in
de Gorges de l’Aveyron ongeveer 50000 jaar geleden. Archeologische vondsten in
het diepe gedeelte van de grot de Pouxets gelden wereldwijd als bewijs voor de
domesticatie van vuur door de Neanderthalers.

De rots
waarop Bruniquel is gebouwd was tijdens de Romeinse bezetting een van de
verdedigingsposten (castrum) die vanaf Najac stroomafwaarts langs de Aveyron
werden geïnstalleerd.

Volgens de
overlevering liet Brunhilde, dochter van een Visigoten koning en getrouwd met
Sigebert I koning van Metz, een indrukwekkende versterkte vesting
bouwen aan de rand van een 90 meter hoge klif die de rivier Aveyron domineert.
Het bijhorende dorp noemde ze Brunichildum. Met de haren vastgebonden aan de
staart van een ongetemd paard stierf koningin Brunhilde in 613 de marteldood.

Vanaf de 10e
eeuw viel Bruniquel onder de controle van de graaf van Toulouse en werd zodoende
een bastion van de Katharen. Tijdens de eerste Albigenzische kruistocht stonden
de troepen van Simon de Montfort in 1211 klaar om Bruniquel te veroveren.
Baudouin, de kasteelheer van Bruniquel en halfbroer van de graaf van Toulouse
Raymond VI, wou zijn stad niet laten verwoesten en sloot zich aan bij de
Koninklijke troepen in hun strijd tegen de Katharen.

In de middeleeuwen vormden de strategisch gelegen versterkte dorpen Bruniquel, Najac, Milhars en Penne samen een verdedigingslinie langs de vallei van de Aveyron.

Met drie
wekelijkse markten en drie grote jaarmarkten werd Bruniquel een
bloeiende handelsstad. De welvarende handelaars en ambachtslui lieten prachtige
en rijk versierde huizen bouwen; het meest bekende “La Maison Payrol” is nu een
museum.

De stad
groeide uit zijn voegen en in 1355 werd een tweede vestingmuur opgetrokken. De
nauwe straatjes en de toegangspoorten die via de vele terrassen naar het kasteel
leidden zijn op heden nog intact.

In de 12e
eeuw kreeg het kasteel er een burchttoren bij en een eeuw later een prachtige
ridderzaal met twee aan twee geplaatste ramen. In de 15e eeuw
verkocht de burggraaf van Bruniquel, in ruzie met zijn zoon, een stuk grond
naast het kasteel aan een neef. Die bouwde er na een lange juridische strijd
zijn eigen kasteel, nu bekend als “le château jeune”. De twee takken van de
familie bleven nog eeuwen ruzie maken.

Zoals de
meest dorpen die ooit bastions van de Katharen waren, werd Bruniquel vanaf 1561
een bastion van de Hugenoten. De burggraaf van “le château jeune” en de
inwoners van Bruniquel waren fier een van de eerste dorpen te zijn die het juk
van de katholieke kerk afwierpen en de versterkte stad bood een veilig
onderkomen voor de protestanten. De
burggraaf van “le château vieux” bleef de Roomse kerk trouw.

Tijdens de
godsdienstoorlogen die hierop volgden ging “le château vieux” gedeeltelijk in
de vlammen op en uiteindelijk veroverden de katholieke Koninklijke troepen na een lange en genadeloze strijd
de stad.

Bruniquel,
op het kruispunt van de handelswegen tussen enerzijds Rouergue en Montauban en
anderzijds de Quercy en Albi
, bleef een belangrijk handelscentrum voor
saffraan, hennep en laken, maar de glorie van de vroegere eeuwen was ook hier
voorgoed voorbij.

Op het
einde van de 18e eeuw, tijdens de Franse Revolutie, werd met succes
een industriële activiteit opgestart: een smederij met 80 arbeiders.

De
spoorlijn die op het einde van de 19e eeuw Montauban via Lexos met Capdenac
verbond, moest de vallei van de Aveyron een nieuwe dynamiek bezorgen. Het
omgekeerde gebeurde, het werd plots makkelijker om het platteland te verlaten op
zoek naar een betere toekomst. Het economische verval werd in
Bruniquel bovendien versterkt door de sluiting van de smederij in 1880.

De laatste
burggraaf van Bruniquel stierf in 1980 en woonde tot die tijd in “Le château
vieux”. Toen de gemeente in 1987 eigenaar werd van deze geklasseerde historische site was “Le château jeune” al twee eeuwen verlaten en er het slechtst
aan toe . Sindsdien loopt een uitgebreid restauratieplan.

Vandaag is
Bruniquel, geklasseerd als een van “les plus beaux villages de France”, een
rustig toeristen- en kunstenaarsdorpje dat trots zijn rijk en goed bewaarde
verleden toont.

De klim naar het kasteel door de nauwe bebloemde straatjes met
de prachtige huizen uit de 14e tot 16e eeuw, loont echt
de moeite. De sfeer is charmant en zelfs romantisch te noemen en inspireerde tal
van kunstenaars zoals de impressionist Marcel Lenoir. De beroemde beeldhouwer Ossip Zadkine en
Valentine Prax trouwden in 1920 in Bruniquel.

Vanaf een
klein plateau rechts van het kasteel, waar ieder jaar een openlucht Offenbach festival plaatsvindt, wacht u een mooi panorama over de
vallei en de kliffen van de Aveyron.

Op de terugweg leidt een ezelspaadje u vanaf de place du Rocas naar een unieke ondergrondse wasplaats en een drenkplaats voor paarden in de vorm van een hoefijzer.

’s Avonds zijn
de klif en het kasteel verlicht; gezien vanaf de brug over de Aveyron is dit
echt machtig.

La Bouygue ligt op 12 kilometer van Bruniquel; een ideale voor- of namiddaguitstap.

De dappere
wandelaar neemt in La Bouygue de GR de Pays tot in Penne,
vervolgens de GR 46 tot Bruniquel en laat zich daar oppikken.

De geoefende wandelaar stapt lustig verder en bereikt via de rotskam langs de vallei van “La Vère” Saint-Paul-de-Mamiac en van daar nog een uurtje tot La Bouygue. Bang om te verdwalen, geen probleem, gastheer Roger stapt wel
met u mee.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



SAINT-ANTONIN-NOBLE-VAL, een charmant stadje midden de GORGES de l’AVEYRON

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-04-10 21:24

Antonin, de
apostel van Rouergue, stierf vermoedelijk in 506 de marteldood in zijn
geboortestad Pamiers; hij werd heilig verklaard en het dorp “Noble Val” in de
vallei van de Aveyron, waar zijn bekeringswerk zeer succesvol was, werd naar hem
genoemd.

De machtige
burggraven van Saint-Antonin werden aanhangers van het Katharisme en tijdens de
eerste Albigenzische Kruistocht werd het dorp door Simon de Montfort volledig
leeggeplunderd en vernield.

Saint-Antonin
had veel te lijden tijdens de honderdjarige oorlog; na vele belegeringen viel
het afwisselend in handen van de Engelsen en Fransen. Daarbovenop veroorzaakte
de pest grote ontbering. Het duurde tot het einde van de 14e eeuw
tot een nieuwe periode van bloei optrad en deze halteplaats op weg naar
Santiago de Compostela ooit 6000 inwoners telde.

In 1622
brachten de godsdienstoorlogen opnieuw ellende over het nu protestantse
Saint-Antonin en werd het dorp na een bloedige strijd opnieuw veroverd door de
katholieken.

Lodewijk de
XIV gaf Saint-Antonin-Noble-Val zijn definitieve naam en zorgde voor de nodige
middelen om het te laten uitgroeien tot een belangrijk centrum voor leder, bont
en laken. De welvaart van de
vroegere eeuwen werd echter nooit meer bereikt.

Een
spoorverbinding op het einde van de 19e eeuw en de opening van een
thermaal kuuroord brachten een nieuwe dynamiek; de hoop op betere tijden
werd spijtig genoeg door de grote overstroming van maart 1930 vernield.

Historisch
gezien behoort Saint-Antonin-Noble-Val eigenlijk tot de provincie Rouergue
(thans het departement Aveyron). Toen
Napoleon de 1e in 1808 het departement Tarn-et-Garonne decreteerde,
werd Saint-Antonin-Noble-Val naar dat departement overgeheveld.

Na een
prestigieus maar ook turbulent verleden geniet Saint-Antonin-Noble-Val vandaag vooral
bekendheid door de goed bewaarde authentieke middeleeuwse stadskern: een
doolhof van smalle straatjes, vakwerkhuizen, overdekte passages en een reeks
beschermde historische gebouwen.

“La Maison
Romane”, in 1125 gebouwd in opdracht van de Burggraaf van Saint-Antonin, is een
parel van Romaanse bouwkunst. In 1846 werd er door
Viollet-Le-Duc een (overbodige) hallentoren aan toegevoegd. Dit vroegere stadshuis wordt beschouwd als het
oudste civiele gebouw in Frankrijk en is nu een museum. De binnenkoer is in de zomer het gezellig terras van restaurant Beffroi.

De sculptuur
van een zoenende man en vrouw vestigt de aandacht op het historische monument
“La Maison de l’Amour” (op de hoek van de Rive Valat en de Rue Droite),
vermoedelijk ooit het uithangbord van een badhuis.

Het huidige
gemeentehuis is gehuisvest in “Les Génovéfains”; een klooster in 1751 gebouwd met
de allures van een bisschoppelijk paleis dat de macht van de katholieke kerk na
de onderdrukking van de Hugenoten moest uitstralen.

Tijdens de
wekelijkse zondagochtendmarkt bruist het anders vrij rustige stadje van
activiteit. Met de markthal op de “Place
de la Halle” als centraal punt is dit een van de grootste en mooiste markten in
de streek; er is een ruime keuze aan regionale specialiteiten, specerijen,
verse groenten… en in de zomer de obligate toeristenprullaria. Er zijn voldoende terrasjes met een mooi uitzicht
op al deze drukte en met een glaasje pastis binnen handbereik kan men nog even
nagenieten.

De stadskern
is volledig verkeersvrij; er is meer dan voldoende parkeermogelijkheid aan de rand.

Saint-Antonin-Noble-Val
ligt midden de “Gorges de l’Aveyron”; het mooiste panoramisch zicht op de stad
vindt men boven op de klip van “le Roc d’Anglars”.

Met een
groot aanbod van natuuractiviteiten behoort Saint-Antonin-Noble-Val ook tot het
netwerk van “La Fédération Française des Stations Vertes”: kajaktochten, rotsklimmen,
acrobranche, via-ferrata, parapente, speleologie, wandelen, mountainbike,
hengelen…

Voor meer foto’s van Saint-Antonin-Noble-Val: zie onze fotoblog op picasaweb

Voor meer informatie over Saint-Antonin-Noble-Val

http://www.saint-antonin-noble-val.com

La
Bouygue ligt op minder dan 20km van Saint-Antonin-Noble-Val en ideaal te
bezoeken tijdens de wekelijkse markt op zondagmorgen.

De dappere
wandelaar neemt de GR de Pays, die in La Bouygue voorbijkomt, tot in Penne en
vervolgens de GR 46 tot Saint-Antonin-Noble-Val en laat zich daar oppikken.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



PENNE, HET KASTEEL: een schoolvoorbeeld van koninklijke militaire architectuur

Middeleeuwse dorpen Posted on 2012-03-28 21:14

Het oorspronkelijke kasteel van Penne, bijgenaamd “Le
Nid d’Aigle” of “La Citadelle du Vertige” werd volgens de overlevering rond 560 gebouwd in opdracht van de Frankische koningin Fredegonde.

Dit “Arendsnest”, gebouwd op een rotsrichel, is een prachtig
voorbeeld van koninklijke militaire architectuur uit de 13de eeuw. Het kasteel verheft zich 120 meter boven een meander van de Aveyron en schrikte
alleen al door zijn natuurlijke positie mogelijke belegeraars af.

Ondanks
langdurige belegeringen slaagde Simon van Montfort in het begin van de
kruistochten tegen de Katharen er niet in om Penne in te nemen. Pas in 1251
onderwierpen de Heren Bernard en Olivier de Penne zich aan Alphonse de Poitiers, de nieuwe graaf van Toulouse en broer van de koning van Frankrijk. Zo werd het kasteel van Penne “une Forteresse Royale”, een koninklijke burcht zonder kasteelheer.

Tijdens de
godsdienstoorlogen werd het protestantse Penne in 1562 veroverd door de
katholieken en 700 protestanten werden omgebracht.

In 1568 werd
het dorp en het kasteel van het door de katholieken bezette Penne door de protestantse legers
bestormt en bleef er slechts een kasteelruine over. Daarna werd deze plaats
eeuwenlang vergeten en door de natuur overwoekerd.

Voor zijn dertigste verjaardag schonk Axel Letellier,
een jonge architect uit Toulouse, zichzelf in 2006 zijn jongensdroom: hij kocht de kasteelruine van Penne.

Samen met
vrijwilligers uit het dorp werd de overwoekerde site aangepakt, een subsidiedossier
opgesteld en een steenhouwer in vaste dienst aangeworven.

Sinds 2010
is de site open voor het publiek en na een prachtige reportage op France 3 “Des
Racines et des Ailes, Passion Patrimoine” staat het kasteel van Penne opnieuw
volop in de belangstelling.

Het kasteel
van Penne ooit volledig heropbouwen lijkt een utopische gedachte. Dankzij het
jeugdige enthousiasme van een gepassioneerde architect wordt deze site wel steen per steen in ere hersteld en kan iedereen opnieuw genieten van dit uitzonderlijk
historisch erfgoed.

Voor meer foto’s van Penne: zie onze fotoblog op picasaweb

Voor meer info over La Forteresse Royale de Penne: http://www.chateaudepenne.com/

<!–
WriteFlash('’);
//–>


Op minder dan een kwartier wandelen van La Bouygue, ter hoogte van La Serre, is een mooi panorama met zicht op Penne en het kasteel.

Voor meer informatie
over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



Volgende »