Blog Image

Middeleeuwse dorpen en bastides Midi-Pyrénées

LA BOUYGUE

Onder het motto "logeren bij Vlamingen" baten Roger & Nadine aan de rand van het Grésigne bos in Penne (Tarn) twee vakantiewoningen uit:
Gîte La Bouygue, een kindvriendelijk vakantiehuis met verwarmd zwembad
Gîte les Sangliers, een hondvriendelijk vakantiehuisje met grote omheinde tuin

LE PORC GASCON, levend historisch erfgoed

Weetjes Posted on 2014-05-03 21:27


De zwarte “Gascon” varkens komen uitsluitend in zuidwest Frankrijk voor. Het ras is verwant aan het Ibericovarken, maar iets kleiner en ruwer
behaard. De Gascons zijn het oudste Franse varkensras en behoren tot het levend
historisch erfgoed. Deze zwarte varkens zijn ook bekend onder de meer recente, commerciële
naam “Noir de Bigorre”.

De Gascons zijn absoluut niet geschikt voor
industriële kweek. Het zijn langzame groeiers die veel ruimte nodig hebben. Ze
leven jaar in jaar uit buiten in de vrije natuur en zijn van nature immuun aan allerlei ziekten. Ze lopen dartel vrij rond in de weiden en door het
kreupelhout en voeden zich met gras, eikels en granen. Een volwassen zeug weegt
rond de 350 kg, een beer 50 kg meer.


Economisch niet interessant in deze tijden, stond
het ras er niet goed voor. In 1970 telde de ITP (l’Institut Technique du Porc)
bij een twintigtal kwekers nog slechts 34 zeugen. Sindsdien loopt een programma
om het ras te beschermen en op te waarderen. Met succes.


Al hebben de varkens een luxeleven in vergelijking
met hun lotgenoten in de industriële kwekerijen in de lage landen, uiteindelijk
belanden ze in koeltoog van de slager. Het vlees bevat meer structuur, minder
vet en is roder dan het varkensvlees dat we gewoon zijn. Een kwaliteitsproduct
dat niets dan lof toegezwaaid krijgt.


Een schoolvoorbeeld van een met uitsterven bedreigd
ras dat werd gered dankzij de passie om een natuurlijk product af te leveren, tegen
de stroom van massa industrie in. Naar schatting zijn er nu opnieuw een
duizendtal Gascon zeugen die met respect voor het dierenwelzijn worden gekweekt.


Op enkele kilometer van La Bouygue, net buiten
Vaour, is een grote Gascon varkenskwekerij, “la ferme des porcs noirs Gascon”. Verwacht geen grote infrastructuur,
het zijn gewoon grote weiden met veel kreupelhout. De foto’s bij dit artikel
zijn daar genomen.
Ook La Ferme-Auberge Les
Chênes kweekt Gascons (http://www.auberge-les-chenes.fr/).



Het COMTOIS trekpaard, levend historisch erfgoed

Weetjes Posted on 2014-04-07 22:14


Aan de rand van het Grésigne bos ligt een zeer grote
weide met prachtige trekpaarden. Voor ons maken deze dieren deel uit van het
landschap. Als we ze niet zien, dan is het plaatje niet compleet.

In zuid-west Frankrijk is het koudbloedras de “Comtois” het populairste trekpaardenras. Nu ze nog nauwelijks in de bosbouw en
wijngaarden worden ingezet, behoren ze stilaan tot een curiositeit, levend
historisch erfgoed.

De comtois is een zeer oud ras. Het zijn
vermoedelijk Duitse paarden gekruist met Spaanse hengsten. In de Romeinse tijd
werden de eigenschappen van deze kleine, sterke trekpaarden met hun zacht
karakter al beschreven.

In de middeleeuwen werd de Comptois ook als
cavaleriepaard gebruikt. Ook in de legers van Louis XIV en Napoleon werden de
Comptois volop ingezet.

Het zijn relatief kleine, maar stevig gebouwde
paarden. De stokmaat ligt tussen 1,50 en 1,65m. De Comtois zijn eenkleurig
lichtbruin met vlasblonde manen en staart. Ook het behang van de benen is
licht gekleurd.

De Comtois hebben een krachtige stap en zijn zeer
wendbaar. Deze “all terrain” onder de trekpaarden is uiterst geschikt in ruig heuvelgebied, bosbouw en wijngaarden. De dieren zijn bestand tegen ruwe
weersomstandigheden en blijven het jaar rond buiten.

Ieder najaar houdt Monestiés een “Fête
du cheval de trait” met uiteraard een wedstrijd om het mooiste trekpaard.



PASTEL, LE PAYS DE COCAGNE

Weetjes Posted on 2013-02-11 11:22

Een niet onbelangrijk
deel van het historisch erfgoed in de Midi-Pyrénées is te danken aan het succes
van wat ooit het “blauwe goud” werd genoemd: pastel.

De wede- of pastelplant
(isatis tinctoria) werd al door de Egyptenaren gebruikt en werd in de
middeleeuwen erkend voor haar geneeskrachtige eigenschappen, het helen van littekens.
Toen men in de 15e eeuw (her)ontdekte dat de plant ook verfstof kon
leveren, kende de teelt van wede een grote opmars.

De driehoek
Toulouse-Albi-Carcassonne bleek klimatologisch en landbouwkundig buitengewoon
geschikt voor het telen van de pastelplant. Het was het enige productiegebied in
Frankrijk en de teelt van pastel werd belangrijker dan de traditionele
graangewassen.

De bladeren van de
pastelplant werden in september geoogst. Vervolgens vermalen en de plantaardige
pasta liet men gedurende acht weken gisten. Daarna werd de pasta met de hand
samengeperst tot een ronde bol, een “cocagne”, zo groot als een pompelmoes. Na
vier maanden droogtijd kon men de ondertussen harde zwarte bollen meerdere
maanden bewaren.

Toulouse was het
centrum van de handel in pastel. De ondernemende handelaars bouwden een
internationaal netwerk uit zowel naar Noord als Zuid Europa.

De handel in pastel bezorgde
de streek welvaart en verschillende families werden ontzettend rijk. Veel van hun
prachtige herenhuizen zij nu nog te bewonderen.

“Le Pays de Cocagne”
werd symbool voor Luilekkerland waar men als God in Frankrijk leefde.

Door de
godsdienstoorlogen in de 16e eeuw en de opkomende concurrentie van het veel
goedkopere indigo uit Indië, kwijnde de bloeiende pastelindustrie langzaam weg.

Om de pastelproductie nieuw leven in te blazen startte Napoleon in Albi een onderzoeksinstituut.
De onderzoekers slaagden erin om de extractietijd van maanden tot enkele dagen
terug te brengen. Alle uniformen van de soldaten van Napoleon waren in blauw
pastel gekleurd.

Door de opkomst van synthetisch indigo, een patent van Adolf von Baeyer uit 1883, werden plantaardige pigmentstoffen een exclusief luxeproduct.

In de Midi-Pyrénées behoort pastel vandaag tot het historisch erfgoed.

Denise en Henri
Lambert, uitgeweken Brusselaars, startten in Lectoure (Gers) een uniek atelier “Bleu
de Lectoure”. Het is gewijd aan de teelt van pastel en de extractie en
productie van de pigmenten.

http://www.bleu-de-lectoure.com

In Toulouse lanceerden
Nathalie Juin en Carole Huc de cosmetische productielijn “Graine de Pastel” op
basis van pastelolie.

http://grainedepastel.com/fr/

In Albi toont Didier
Boinnard in zijn een atelier “Artisan Pastellier” zij fascinatie voor het blauwe
goud. Hij fabriceert en verkoopt er ecologische kleurstoffen en verven op basis
van pastel.

http://www.artisanpastellier.com/

Breng in Cordes-sur-Ciel, in het straatje bij de kerk, even een bezoekje aan Mathera: “le pastel dans tous ses états”.

http://www.mathera-pastel.com/index.php/fr/



De pelgrimsroute naar SANTIAGO DE COMPOSTELA in de MIDI-PYRENEES

Weetjes Posted on 2012-04-30 20:56

De
Spaanse pelgrimsroute “Camino Francés” naar Santiago de Compostela bereikt men enkel via de regio Midi-Pyrénées. Vele dorpen en historische gebouwen in de buurt
van La Bouygue verwijzen naar “les chemins de Saint-Jacques de
Compostelle”.

De “Camino” is door de Unesco opgenomen in de werelderfgoedlijst
en door de Raad van Europa uitgeroepen tot de eerste “Europese Culturele Reisweg”.

Ontstaan van de pelgrimsroute

De Cabo
Fisterra in Galicië, aan de westkust van Spanje, werd lang aanzien als “het
einde van de aarde”. De Kelten en de Romeinen gingen er heen om de goden te
eren.

In de 9e
eeuw, na de “wonderbaarlijke” ontdekking van het graf van de heilige apostel Jacobus,
ontwikkelde zich in Galicië een bedevaartplaats: “San Iago”. In die tijd
volstond een vermoedelijk vingerkootje of enkele druppels bloed van een heilige om een
bedevaartplaats op te richten. In Galicië kon men plots uitpakken met het
volledige lichaam, weliswaar onthoofd, van een apostel.

Godeschalk,
de bisschop van Le Puy-en-Velay, zou de eerste niet-Spaanse pelgrim zijn die
naar San Iago trok.

In de loop
van de 11e eeuw kreeg de Jacobslegende haar definitieve vorm en kwam
voor het eerst de naam Santiago de Compostela voor. In de Nederlanden “t’Sente
Jacops in Galissien” genoemd.

De machtige
Benedictijnenmonniken van Cluny waren ijverige promotors van de bedevaarten
naar Santiago de Compostela. Onder hun impuls ontwikkelde zich langs de routes een
religieuze infrastructuur van abdijen, kerken, gasthuizen en hospitalen.

Pelgrims
werden door kerk en staat beschermd. Sommigen waren gedreven door godsdienstijver,
anderen waren boeteling, veroordeeld tot een bedevaart.

Rijke
pelgrims reisden met hun gevolg te paard, de gewone gelovigen gingen te voet. Men
reisde langs oude Romeinse heirwegen, stoffige weggetjes en bergpaden.
Eten en drinken waren niet steeds voorhanden en ziekte en ontbering eisten hun
tol. Tevens maakten de vele gewapende conflicten en struikrovers een
pelgrimstocht tot een hachelijke onderneming.

Van de 12e
tot de 15e eeuw kende de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela een
ware bloeiperiode. Het werd de volksbedevaart bij uitstek en het bedevaartsoord
overschaduwde zelfs Rome en Jeruzalem.

In de
middeleeuwen stond de begraafplaats van Sint Jacob en de bijhorende legendes boven
alle verdenking. In de 16e eeuw zaaiden de Humanisten twijfel en de
Reformatie veroordeelde radicaal de reliekencultus en aflatenhandel. Door de godsdienstoorlogen
en de builenpest werden pelgrimstochten door Frankrijk problematisch. De
glorietijd van de bedevaarten naar Santiago de Compostela was voorbij.

In de 18e
eeuw verbood Koning Lodewijk XV gewoonweg alle pelgrimstochten naar vreemde
landen. De Franse Revolutie en de woelige Napoleontische periode brachten zeker geen
kentering.

In zijn bul
“Omnipotens Deus” van 1884 verklaarde Paus Leo XIII het gebeente van Sint Jacob
in Santiago de Compostela voor echt. Hij spoorde gelovigen aan om opnieuw de pelgrimsstaf op te pakken. De “concurrentie” met het grote Maria bedevaartsoord
Lourdes was echter te groot en de massa bleef weg.

Of de
legende rond de begraafplaats van Sint Jacob nu fictie of waarheid is, de
pelgrimstocht naar Santiago de Compostela blijft tot de verbeelding spreken. Sinds
het laatste kwart van de 20e eeuw is de tocht wederom uitermate
populair. Ieder jaar trekken ongeveer 100000 pelgrims van overal ter wereld, om
welke reden ook, opnieuw over de “Camino de Santiago”.

De pelgrimsroute in Frankrijk

Het vijfde
deel van het boek “Codex Calextinus”, een gedetailleerde reisgids voor pelgrims
richting Santiago de Compostela, dateert uit de 12e eeuw. Het boek
beschrijft vier vertrekplaatsen in Frankrijk (Tours, Véselay, Le Puy-en-Velay
en Saint-Gilles-en-Gard bij Arles) en twee passen over de Pyreneeën (Col de Ronceveaux en de Somportpas).

De Via
Turonensis, de meest Noordelijke route, leidt alle pelgrims ten noorden van
Parijs, via Orléans, Tours, Poitiers, Bordeaux en de Landes naar Saint-Jean-de-Port
en de Col de Ronceveaux.

De Via
Lemovicensis, vertrekt vanuit Véselay in Bourgondië naar Limoges en vandaar naar
Saint-Jean-de-Port en de Col de Ronceveaux.

De Via
Podiensis loopt van Le Puy-en-Velay (Auvergne) naar Conques en vervolgens via
Rocamadour en Moissac naar Saint-Jean-de-Port en de Col de Ronceveaux.

De Via
Tolosana; de weg voor alle pelgrims uit Italië en de Provence start in
Saint-Gilles-en-Gard (Arles) en gaat via Toulouse naar Oloron en de Somportpas.
Omgekeerd was dit tevens de weg voor de Spaanse pelgrims naar Rome.

In Puenta
de la Reina komen alle routes samen en de Camino Francés leidt de pelgrims vervolgens
naar Santiago de Compostela.

De
oplettende lezer van deze blog heeft ondertussen al opgemerkt dat “Le Pays de l’Albigeois et des
Bastides” in gans dit verhaal niet voorkomt. Maar zoals alle wegen
naar Rome leiden, zo leiden in Zuidwest Frankrijk blijkbaar alle wegen ooit naar
Santiago de Compostela smiley

De pelgrims
die via Le Puy reizen, kunnen in Conques kiezen. Ze volgen de klassieke Via
Podiensis naar Moissac en de Col de Ronceveaux, of ze stappen naar Toulouse en
volgen verder de Via Tolosana en de Somportpas. Deze alternatieve route, via
Villefranche-de-Rouergue, Najac, Cordes-sur-Ciel, Gaillac en Rabastens, was in
de middeleeuwen zeer populair.

Maar de
pelgrims die vanuit Arles komen hebben ook een alternatief. In Murat-sur-Vèbre
kunnen ze de Via Tolosana verlaten en via Cordes-sur-Ciel,
Castelnau-de-Montmiral en Bruniquel in Moissac de Via Podiensis vervoegen.

De pracht
en praal van kathedralen en kerken waren een belangrijk onderdeel van de
middeleeuwse geloofsbeleving. Veel pelgrims trokken vanuit Conques naar Rodez, de
hoofdstad van Rouergue, om er de Notre Dame kathedraal te bewonderen. Ze vervolgden
hun weg via Monestiés en vonden in Cordes-sur-Ciel opnieuw aansluiting met de meer
klassieke routes.

De
pelgrimstocht naar Santiago de Compostela is nu opnieuw springlevend. We kunnen
er echter niet omheen dat de oorspronkelijke middeleeuwse paden en de infrastructuur
om pelgrims op te vangen in Frankrijk grotendeels verdwenen zijn.

Gelukkig
doorkruisen de uitstekende GR wandelpaden Frankrijk in alle richtingen. De GR
65, 653, 654 en 655 volgen zo getrouw mogelijk de vier belangrijkste historische
routes. De pelgrim die in de 21e eeuw de alternatieve verbinding
Conques-Toulouse maakt, volgt de GR 36 & 46.

Heden worden de
alternatieve routes naar Santiago de Compostela door de pelgrims
minder bewandeld. Toch blijven “les chemins de Saint-Jacques de Compostelle”,
net zoals de Katharen, de Tempeliers en de Hugenoten, in “Le Pays de l’Albigeois et des Bastides”
prominent aanwezig.

De populaire Via
Podiensis route (GR 65), Cahors-Montcuq-Moissac, loopt op ongeveer 70 km van La
Bouygue; de pelgrimssteden Cahors en Moissac zijn een bezoek zeker waard.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



PLATANEN, Napoleon en de Ceratocystis Platani

Weetjes Posted on 2012-04-23 17:21

Een van de meest karakteristieke bomen in zuid Frankrijk is de plataan.
De boom wordt tussen de 25 en 50 meter hoog en laat zich gemakkelijk snoeien.
Doordat stukken schors afvallen, verkrijgt men verschillende kleuren bruin en
groen, een vlekkenpatroon specifiek voor de plataan.

Maar waarom
staan er langs de zuid Franse wegen zoveel platanen? Dit hebben we aan Napoleon
te danken. Om de optrekkende troepen te beschermen tegen de hitte en de zon,
beval Napoleon langs de belangrijkste verbindingswegen platanen te planten. Die
staan er op vele plaatsen nog altijd en zorgen voor prachtige, lommerrijke lanen.

De verkeersveiligheid
is een bedreiging voor de platanen. Maar een
micro-zwam, de “Ceratocystis Platani”, zorgt voor een nog groter gevaar. Deze parasiet, afkomstig uit Amerika, doet
een plataan binnen de 4 tot 6 jaar afsterven. De ziekte verspreid zich
langzaam en er is geen kruid tegen gewassen. De bomen omhakken is uiteindelijk de
enige oplossing.

Langs het “Canal
du Midi” staan 42000 platanen. De parasiet is ook daar aan een opmars begonnen. Volgens
een recente prognose zullen binnen 15 tot 20 jaar alle bomen aangetast zijn.
Het landschap rond de Canal du Midi, ingeschreven als Unesco werelderfgoed, is
dus ernstig bedreigd. Maar ook het kanaal zelf loopt gevaar; de wortels van de
platanen vormen de stevigheid van de dijken.
In 2011 is een groots project is gestart om
alle 42000 platanen langs het “Canal du Midi” te vervangen.



HET OCCITAANS

Weetjes Posted on 2012-03-29 19:04

Het
Occitaans (of la Langue d’Oc) geniet in Frankrijk geen officiële status meer. Niettegenstaande de Franse Taalunie sinds 1932 alles in het werk stelt om het Occitaans
voorgoed te laten uitsterven, blijft het in Zuidwest Frankrijk alomtegenwoordig.

Gans zuid Frankrijk sprak ooit Occitaans. Het is geen Frans dialect maar behoort tot dezelfde taalfamilie als het
Catalaans en ontwikkelde zich uit het Volkslatijn. Het is dus ouder dan het
Frans.

Tegenwoordig
maakt de Occitaanse cultuur een opleving door en verschijnen er hier en daar opnieuw
tweetalige plaatsnaamborden. Het label “Oc per l’Occitan” wordt verleend aan handelszaken die het Occitaans ondersteunen.

Al kan men opnieuw Occitaans leren van de crèche tot de universiteit, minder en minder mensen spreken Occitaans
(geschat op 2 miljoen, overwegend ouderen) en de kans op overleving lijkt klein.

Gaat het Occitaans het Vlaams in Frans-Vlaanderen achterna?

De vertaling van de straatnaamborden uit het Occitaans lijkt wel niet steeds accuraat. In Albi heeft men duidelijk last van “lost in translation”.

Voor meer weetjes en een Occitaans/Frans woordenboek, surf even naar: locongres

La
Bouygue ligt in Penne, meer bepaald het gehucht “Fontblanque”; de naam is afgeleid van het
Occitaans voor “witte bron”.

Voor meer informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be