Blog Image

Middeleeuwse dorpen en bastides Midi-Pyrénées

LA BOUYGUE

Onder het motto "logeren bij Vlamingen" baten Roger & Nadine aan de rand van het Grésigne bos in Penne (Tarn) twee vakantiewoningen uit:
Gîte La Bouygue, een kindvriendelijk vakantiehuis met verwarmd zwembad
Gîte les Sangliers, een hondvriendelijk vakantiehuisje met grote omheinde tuin

DUIVENTORENS, bakens in het landschap

Plattelandsarchitectuur Posted on 2013-10-30 12:10


Het recht om een
duiventil te bezitten was ooit voorbehouden aan leenheren en abdijen. In het
noorden van Frankrijk bleef dit “duifrecht” tot aan de Franse revolutie bestaan.

Het parlement van Toulouse besliste in 1682 dat iedereen die over voldoende grond beschikte een duiventil mocht bouwen.
Dankzij dit besluit beschikken de historische regio’s
Albigeois en Quercy over een ongeëvenaard historisch erfgoed aan duiventorens. In
het departement Tarn alleen zijn 1700 “pigeonniers” geïnventariseerd.
Waar men
ook komt, overal in het landschap duiken de contouren van duiventorens op.


Duiven leven in de
vrije natuur, maar op het platteland bezorgde de mens hen een veilig
onderkomen. Weliswaar niet uit dierenliefde, maar in de eerste plaats voor de
duivenmest (colombine) en in mindere mate als voedselbron. Duivenmest was een essentiële
substantie voor de druiven- en pastelteelt.

De duiven werden alleen
in de winter bijgevoederd. De rest van het jaar zochten ze hun voedsel op de
omringende velden en hun appetijt bracht vrij veel schade aan.

Duiventorens werden
steeds gebouwd op een zonnige, droge en rustige plaats. De windkant is dicht en
de vliegopeningen bevinden zich aan de zuid- of oostzijde. De ingangen waren
net groot genoeg voor de duiven, maar te klein voor roofvogels. Door
uitstekende randen of gladde tegels werden eventuele aanvallen van ratten,
zevenslapers of steenmarters voorkomen.

Torens hebben altijd
indruk gemaakt en verhogen het prestige van de eigenaar. De vorm, afmetingen en
materialen van de duiventoren hingen in hoge mate af van de ambitie en
financiële slagkracht van de opdrachtgever. De ambachtslui hadden geen plan en
inspireerden zich voornamelijk op wat ze ergens hadden gezien.
Geen
twee duiventorens zijn gelijk. Per streek beantwoorden ze wel aan een aantal
terugkerende algemene kenmerken:

Dak: alle daken hebben een vrij scherpe hellingshoek om het vuil er zoveel mogelijk te laten afregenen.

Pied de
mulet
”: deze vierkante torens met tweeledig dak zijn eenvoudig qua constructie.
Dit type komt het meest voor en dateert vooral uit de 19e eeuw.


Castrais
: een spits torentje, een verwijzing naar de fallus als vruchtbaarheidsymbool. Dit symbool vindt men soms terug op andere type daken, bij voorkeur zeven maal (zie foto hierboven).


Albigeois
: een piramidevormig dak


Gaillacois
: een piramidevormig dak, maar met een knik (of twee)


Geometrie
: vierkant,
rechthoekig, veelhoekig, rond…

Volume: in princiepe
steekt de duiventoren boven alle andere gebouwen uit. De torens zijn zelden
meer dan 12 meter hoog, waarvan in theorie één vijfde voor de dakconstructie. De breedte is normaliter in verhouding tot de hoogte,
al zijn ook hierop heel wat uitzonderingen.
Sommige zien er niet alleen uit als wachttorens, ze waren het ooit en werden later omgebouwd tot duiventil. Fiscale creativiteit is van alle tijden. Torens waren onderhevig aan extra belasting, duiventorens niet.

Constructie: een eenvoudig vierkant torengebouw is de meest klassieke vorm. De toren kon
volledig van onder tot boven gevuld zijn met nesten, of alleen het bovenste
gedeelte. Onderaan werden dan één of twee niveau’s gebruikt als opslagplaats of hok
voor ander kleinvee.


Duiventorens op kolonnes of op gewelven komen ook vaak voor.


De duiventoren kan eveneens geïntegreerd zijn in een gebouw of beperkt
zicht tot een duiventil onder de dakrand.


Materiaal
: alle
materialen die voor huizen werden gebruikt, komen voor in duiventorens.
Natuursteen, bakstenen, vakwerk, chaux, pisé… In de plattelandsarchitectuur
werden uitsluitend materialen gebruikt die in de buurt aanwezig waren.


Plaats
: de meeste
torens staan op het platteland, aan de rand van hoeve. Vaak staan ze plompverloren alleen midden de velden. In de nauwe straatjes let je er niet
steeds op, maar ook midden de middeleeuwse dorpjes tref je duiventorens
aan.


Sommige duiventorens zijn
behoorlijk vervallen, maar stralen hierdoor juist authenticiteit uit.



Andere zijn met respect voor
het historisch erfgoed duurzaam gerestaureerd.



De meeste duiventorens hebben geen functie
meer, maar verhogen het prestige van hun omgeving. Enkele zijn met succes omgebouwd tot wooneenheid of volledig verknoeid. Met PVC ramen en deuren lijkt het soms nieuwbouw.


De combinatie van materialen, constructie, geometrie, dakvorm en volume maken het speuren naar duiventillen boeiend. De diversiteit van deze plattelandsarchitectuur lijkt onuitputtelijk.


“Duiventorenspotter” heeft het woordenboek nog niet gehaald. Toch is het een leuke hobby. Neem even een kijkje op de blog van Annie, ze
heeft het duidelijk nog erger te pakken dan ik.

Voor
meer informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



CAZELLES, CABANONS en MUREN in “Pierre Sèche”

Plattelandsarchitectuur Posted on 2013-05-10 20:29

In het midden van de
19e eeuw werd het land bewerkt met ploegen die de grond dieper
omwoelden dan voorheen. In de kalkgrond van les Causes kwamen hierdoor grotere
stenen naar boven. Dit “afval” werd aan de rand van de velden opgestapeld.

Deze stenen werden
nadien voornamelijk gebruikt om in “pierre sèche” omheiningsmuren te bouwen. Bij
de techniek van “pierre sèche” worden stenen vakkundig gestapeld tot ze in
elkaar verankeren en zonder enig bindmiddel een stevig geheel vormen. Buiten
een hamer en eventueel een koevoet is geen enkele ander hulpmiddel vereist. Herders
hadden veel verloren momenten en konden onder alle weersomstandigheden met deze
karwei hun tijd nuttig gebruiken.

De herders hadden nood
aan bescherming tegen de zon, wind en regen. De overvloed aan stenen was een geschikt
materiaal om kleine schuilhutten te bouwen. Afgeleid van het Latijnse “casa”
worden deze kleine stenen huisjes in de streek “cazelle” genoemd. Een cazelle
is dus een stenen hokje dat uitsluitend is opgetrokken met de grondstof die op
een nabij veld werd opgeraapt. Deze constructies werden ter plaatse
geïmproviseerd en de vorm was afhankelijk van de inspiratie en het vakmanschap
van de bouwer. Door gebrek aan grote hoekstenen werden rechte hoeken zoveel
mogelijk vermeden. Het dak werd gevormd door de stenen langzaam in een punt te
laten toelopen (voûte en encorbellement). Als schuilhut was in de cazelle een deur
of meubelen overbodig. In het beste geval was er een stenen bankje of een nis
uitgespaard in de muur.

Het is verwonderlijk
dat deze constructies van los gestapelde stenen, die al zo lang niet meer in
gebruik zijn, de tand des tijds hebben doorstaan. Het vakmanschap om ze eventueel te herstellen is zo goed als verdwenen. Vaak volledig geïntegreerd in
de omgeving zijn ze niet steeds gemakkelijk te vinden, maar met een beetje
geluk vindt de oplettende wandelaar ze wel.

Op volledig afgelegen
plaatsen ziet de wandelaar vaak Cabanons.
Een cabanon is groter dan een cazelle
en lijkt meer op een kleine stal. Ook opgetrokken volgens de techniek van “pierre
sèche” zijn cabanons meestal rechthoekig en voorzien van een dakgebinte en
pannen of platte stenen. Dit zijn constructies die doelbewust ergens zijn
gebouwd met gedeeltelijk aangevoerd materiaal. Ze dienden als stal, bergplaats
voor materiaal en zelfs als woning. Een verlaten cabanon heeft echter een zwakke plek: het houten dakgebinte. Daarom zijn vaak alleen
nog de muren in “pierre sèche” intact.

Langs de D87 van Bruniquel
richting La Bouygue staat een mooie cazelle. Gevonden? Toon ons de foto en we ontkurken een fles AOC Gaillac smiley.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



De LAVOIR, de eerste aanzet tot een verbetering van de openbare hygiëne

Plattelandsarchitectuur Posted on 2013-03-01 17:44

In de middeleeuwen
waren de hygiënische omstandigheden meer dan ondermaats. Als kleren al gewassen
werden, gebeurde dat hoogstens tweemaal per jaar. Men was aangewezen op
plaatsen waar van nature stromend water was, aan bronnen en de oevers van beken
en rivieren. Bronnen waren meestal eigendom van de plaatselijke leenheren of abdijen en niet
beschikbaar voor het gewone volk.

Pas na de Franse
revolutie begon men in te zien dat de vele ziekten en epidemieën meer waren dan
een straf van god. In het begin van de 19e eeuw stierven in
Frankrijk nog meer dan 600000 mensen aan cholera. De staat werd zich bewust dat maatregelen om de openbare hygiëne te verbeteren noodzakelijk waren.

Bronnen werden publiek bezit en overal in Frankrijk bouwden de lokale besturen wasplaatsen, de lavoirs. Meestal een grote bak om te wassen en een tweede om te spoelen.
Iedere Franse gemeente had ooit minstens één publieke wasplaats.

Vele schilders hebben op
poëtische wijze het werk van de “lavandières” vereeuwigd. De werkelijkheid was minder romantisch. Het wassen van het wasgoed was hard
labeur, een uitsluitend vrouwelijke aangelegenheid. Dit kon de vrouw des huizes
zijn, maar ook professionele wasvrouwen. Vooraleer het werk kon beginnen, de
rokken omhoog en de mouwen opgerold, waren ze meestal met de kruiwagen een
flink eind op stap naar de wasplaats. Het natte wasgoed werd met houtskool,
later met zeep, ingewreven en op platte boordstenen schoon geslagen met een wasstamper,
geboend en gewreven. Daarna werd gespoeld, uitgewrongen en gebleekt.

De lavoir was een oord
van zwoegen en zweten, maar had ook een sociale functie. Het was de enige plaats
waar vrouwen samenkwamen. Rond de lavoir werden de nieuwste roddels uitgewisseld,
gezongen, vreugde en verdriet gedeeld, maar ook familievetes uitvochten.

Al hebben de lavoirs
vandaag geen openbaar nut meer, ze behoren tot Frankrijks cultuurhistorisch
erfgoed en worden zo goed mogelijk bewaard. De lavoir kon uitsluitend gebouwd
worden waar stromend water aanwezig was. Zo vindt men niet alleen publieke wasplaatsen
midden een dorp, maar ook op godvergeten plaatsen bij een bron midden de bossen.

Voor meer informatie over lavoirs in Frankrijk, neem hier even een kijkje: lavoirs.org

La Bouygue ligt in
Fontblanque, een gehucht van Penne. De lavoir van Fontblanque werd in 2009 door
de buurtbewoners gerestaureerd.

Voor meer
informatie over Gîte La Bouygue & Gîte les Sangliers:

http://www.gite-frankrijk.be



PLATTELANDSARCHITECTUUR IN DE MIDI-PYRENEES

Plattelandsarchitectuur Posted on 2013-02-19 18:42

De grootste
administratieve regio van Frankrijk, de Midi-Pyrénées, vormt een lappendeken
van oude historische regio’s. Van noord naar zuid of van oost naar west
verandert het reliëf, de bodem, de akkerbouw en zelfs het klimaat voortdurend.

De
plattelandsarchitectuur is gebaseerd op de directe relatie tussen mens en
omgeving. De gebruikte bouwmaterialen vormen een van de meest opvallende
getuigen van het karakter van een streek. Natuur en architectuur gaan hand in
hand.

In de typische
plattelandswoning verbleef het vee op de gelijkvloerse verdieping en bevond de
woonruimte zich op de eerste verdieping. Het vee heeft ondertussen plaats
gemaakt voor de auto of atelier, maar het principe bleef wel behouden.

Niet alleen
individuele huizen, maar ook ganse dorpen werden aangepast aan het terrein en
opgetrokken in natuurlijke bouwmaterialen die in een straal van pakweg tien
kilometer te vinden waren.

Brique foraine:

Typische platte, brede
bakstenen van 42cm lang, 28cm breed en 5cm hoog uit gebakken klei van de vallei
van de Tarn of de Garonne.

Vooral in de
Haute-Garonne (Toulouse), Tarn (Albi) en de Tarn-et-Garonne (Montauban)

Chaux:

Een mengeling van kalk
en zand, gebruikt als mortel voor de bouw van muren in natuursteen (kalksteen,
zandsteen, rivierstenen of schist) en als muurbepleistering en voegwerk.

“Être bâti à chaux et
à sable” is het Franse equivalent voor “een sterk gestel hebben”

Pisé:

Dikke muren
opgetrokken in leemmortel, een mengeling van zand en klei. Vooral in de
Tarn-et-Garonne.

Torchis:

Houten eiken kaders
(vakwerk) opgevuld met een pleisterspecie van leem en stro.

Pierre sèche:

Brede muren in ruwe
gestapelde stenen (kalksteen, zandsteen of schist) zonder gebruik van mortel. Voornamelijk
in de Aveyron en de Lot.

Foto bovenaan deze
bijdrage: de pre-romaanse kerk van Toulongergues. De oudste kerk van de Aveyron
(10e eeuw), volledig opgetrokken in “pierre sèche”.

Tuile canal:

Holle kanaalvormige
dakpannen, zonder uniforme kleur.

Lauze:

Dun gehouwen platte
dakstenen in kalksteen of schist, typisch voor de Aveyron.